Het proces Philippus Mertens, een bokkenrijder berecht in Antwerpen

1. Wat zijn bokkenrijders ?

Iedereen heeft al wel eens over de bokkenrijders gehoord. Het zou om een duizendkoppige bende gaan die, ruw geschat, van 1740 tot 1795 (weliswaar met onderbrekingen) opereerde in grote delen van Belgisch en Nederlands Limburg. Het Belgische Maaseik, Bree, Neeroeteren en Wellen, het Nederlandse Valkenburg , Kerkrade, Heerlen en Meerssen en het Duitse Herzogenrath (toen Nederland) waren de belangrijkste bokkenrijderscentra.

De bokkenrijders werden ongeveer twee eeuwen ten onrechte afgeschilderd als rovers, verkrachters en moordenaars, want moorden en verkrachtingen kunnen hen – zeker in België -nauwelijks ten laste gelegd worden. In werkelijkheid waren de “bendeleden” vooral arme, noodlijdende sukkelaars die de keuze hadden tussen stelen of van honger creperen. De talrijke oorlogen, het mislukken van de oogst en de runderpest hadden de boerenbevolking ertoe gedwongen voor de misdaad te kiezen.

De bokkenrijders kregen hun slechte naam door de manier van procederen. Zo moesten de beschuldigden bekentenissen afleggen vooraleer ze ter dood konden veroordeeld worden. Maar om de beschuldigden te laten bekennen, mocht men ze mensonwaardig wreed folteren.  Door de tortuur werd er inderdaad massaal bekend. Een schuldbekentenis alleen was echter niet voldoende,  er moesten ook namen van medeplichtigen vallen. De slachtoffers van de tortuur noemden vaak willekeurige namen om van de pijn verlost te zijn. Ook die personen belandden op de pijnbank en noemden op hun beurt nieuwe namen. Deze allesbehalve objectieve rechtspraak levert alleszins meer namen dan schuldigen op.  

Op de pijnbank werd ook bekend dat de gezellen (zelf gebruikten ze de naam bokkenrijders niet) op bokken door de lucht vlogen. Dat de gewone, analfabete bevolking die onzin geloofde, kunnen we nog aannemen. Maar de rechters? Zij konden deze fantastische verhalen gebruiken om aan het volk te bewijzen dat de zogenaamde bokkenrijders een verbond met de duivel hadden gesloten. Voor die duivel legden ze een godslasterende eed af. Ze vertrapten hosties en braken stukken van het kruisbeeld.

Deze fantastische verhalen en het afleggen van de eed betekenden letterlijk de dood voor de bokkenrijders. Zulke misdadigers moest men niet sparen. Zij mochten onmenselijk hard aangepakt worden.
Volgens mij is “bokkenrijdereij” alleen maar de gelijknamige noemer waaronder alle misdaden geplaatst werden. Zou men trouwens minder en minder ernstige misdaden ontdekken als men voor een zelfde periode een even groot willekeurig gebied onderzoekt?  
 

2. Wat heeft dit nu met Philippus Mertens te maken ?

Philip Mertens wordt er in 1785 van beschuldigd brandbrieven geschreven te hebben. Op dat moment woont Philippus Mertens met zijn gezin in Ophoven. (In een brandbrief werd een geldsom geëist. Dit bedrag moest op een verlaten plaats gelegd worden. Anders zouden het huis, de stallen of schuren van de rijke broer in brand gestoken worden.)

Op aanraden van de familie vlucht Philip Mertens, via enkele tussenstations, naar Antwerpen dat voor de justitie van Ophoven in het buitenland ligt.
Op 27 november 1790 wordt Mertens in Antwerpen gearresteerd. Hij wordt ervan verdacht zijn buren, het Hollandse echtpaar Mathourné, vermoord te hebben. Ten huize Mathourné werden ook een zilveren soepdienlepel, 4 zilveren lepels en vorken, een gouden horloge en zilveren broekgespen gestolen.

Wanneer Mertens tijdens een verhoor vertelt dat hij er in Ophoven van verdacht werd brandbrieven geschreven en gelegd te hebben, neemt onderschout Vereecken contact op met de hoge justitie van Horne.
De bekentenissen van een pak bokkenrijders en het arrestatiebevel ten laste van Mertens worden verzonden. Een aantal “bendeleden” verklaart, meestal na tortuur, dat Mertens de eed aflegde. Hij zou ook brandbrieven gelegd en geschreven hebben. Bovendien werd het geld dat daarop volgde in zijn huis verdeeld.
Voeg daar de roofmoord op het echtpaar Mathourné aan toe en u zult begrijpen dat het dossier Mertens snel groeide. Straks meer over dit lijvige procesdossier.

3. Wie was Philippus Mertens ?

Philip Mertens werd op 18 maart 1753 te Heythuysen geboren als zoon van Sibertus Mertens en Cornelia Rutten. Als hij ongeveer achttien jaar oud is, wordt hij soldaat in het Franse leger bij de “Zwitserse garde”. Hij oefent daar het beroep van meester-schoenmaker uit. Na vier jaar vertrekt hij met definitief verlof.

Op 6 oktober 1778 trouwt hij met Maria Agnes Op het Eynde uit Stokkem. Het koppel woont een tijdje bij de ouders van Mertens in Heythuysen. In mei 1779 vestigen ze zich te Neeritter. Vanaf juni 1783 woont Mertens in Ophoven waar hij als schoenmaker werkt. Hij houdt er ook een herberg en een winkel in koffie, thee en suiker open. Bovendien drijft hij handel in klaver en andere zaden.

Op 25 mei 1785 beschuldigt kleermaker Leonard Raemaekers hem ervan een deel van de brandbrieven gericht aan Box Dirk, Jaspar Henckens en Jan Mathijs Deben gekregen te hebben. Mertens laat die beschuldigingen natrekken door barones de l’ Aigle, de landsvrouw van het naburige Kessenich voor wie hij al eens boodschappen doet. Die stelt hem gerust en het gerucht verstomt tot 28 juni 1785. Dan beschuldigt Raemaekers hem weer. Mertens – zo verklaart hij zelf – wil zich gaan aangeven, maar zijn familie raadt hem aan om naar het buitenland te vluchten. Via enkele tussenstations komt hij in Antwerpen terecht. Een tijdje later krijgt hij daar een brief van zijn vrouw waarin ze schrijft dat haar vader in het land van Gulik een molen voor hen gevonden heeft. Ze voegt eraan toe dat hij naar Stokkem moet komen. Dit is echter een valstrik. In de buurt van Stokkem wordt Mertens door enkele familieleden overvallen, op een kar geworpen en tegen wil en dank overgeleverd aan een Pruisische wervingsofficier.

Na een jaar deserteert hij uit Pruisische dienst met de hulp van zijn broer Joannes. Philip gaat met zijn vrouw naar Antwerpen en vestigt zich daar als schoenmaker. Eerst doet hij ervaring op bij enkele meester-schoenmakers. Later werkt hij voor eigen rekening. Inmiddels woont hij op de Veemarkt naast het echtpaar Mathourné. De Mathournés kwamen van Utrecht, waar ze waren gevlucht voor “de troubels aldaer”. Op 1 oktober wilden ze echter weer verhuizen. Wanneer de schipper, die hun goederen moet verschepen, die morgen bij hen aanbelt wordt er niet opengedaan. Er lijkt echter niets aan de hand, want de heer Wappers, die de huizen aan Mertens en de Mathournés verhuurt, had twee briefjes gekregen. Ze waren ondertekend door mevrouw Mathourné. In het eerste briefje vroeg zij of ze het huis nog een tijdje mochten huren, want hun goederen konden voorlopig niet verscheept worden. In het tweede briefje schreef ze dat ze voorlopig nog niet naar Holland durfden terug te keren.    

Enkele Hollandse vrienden vinden het echter eigenaardig dat de Mathournés geen afscheid van hen waren komen nemen zoals ze beloofd hadden. Ze gaan naar de schout. Met de hulp van een slotenmaker wordt het huis geopend. In de kelder worden de zwaar bebloede lijken ontdekt. Een lijkschouwing en de inventaris van de inboedel zijn de eerste documenten in het dossier.

4. Het dossier Mertens

Aanvankelijk wordt Philip Mertens verhoord als de buurman die misschien iets zou kunnen gezien of gehoord hebben.  
Omdat de zaak muurvast zit, looft de schepenbank een premie van 1000 florijnen uit aan wie informatie over de dader of daders van de roofmoord kan verstrekken. Dan verklaart een zekere Grootjans, houder van een berg van barmhartigheid (een pandjeshuis) dat Mertens op 1 oktober 4 zilveren vorken en lepels en een gouden horloge heeft beleend.

Uiteindelijk wordt Mertens gearresteerd wanneer hij op 27 november 1790 de soepdienlepel, die hij begin oktober in het berghuis van een zekere Moriaen beleend had, wilde lossen. Bij zijn arrestatie had hij ook nog een paar zilveren broekgespen op zak. Maria Helena Verpoorten, dienstmeid bij de Mathournés, zegt dat die gespen precies dezelfde zijn als de gespen die meneer Mathourné droeg.

Er volgen enkele confrontaties. Zowel bergdrager Grootjans als ’s Hertogen (aan hem gaf Mertens een briefje dat hij in naam van mevrouw Mathourné aan huisbaas Wappers geschreven had) herkennen Mertens tijdens de confrontatie.                                    

Philip Mertens ontkent alles. De gespen had hij op de Vrijdagmarkt gekocht en de zilveren soepdienlepel had hij gevonden. Hij beleende nooit een gouden horloge of zilveren vorken en lepels. Hij zegt ook dat hij de avond waarop de moorden gepleegd werden enkele herbergen bezocht heeft. Hij kwam echter rond 9 uur thuis. Toen ging hij bij zijn vrouw in de keuken zitten. Net voor hij ging slapen, heeft hij bij de buren een “gerucht” gehoord, precies alsof er een tafel of een stoel verschoven werd. Zijn vrouw doet dit alibi teniet door te zeggen dat Mertens nog niet thuis was toen zij dat gerucht hoorde. Bovendien bleken de herbergiers zich niet te herinneren dat Mertens die avond bij hen iets gedronken had.    

Toen de schepenen hem ondervroegen over zijn aandeel in het leggen en schrijven van brandbrieven, verklaart hij dat een zekere Sevrens, oud-molenaar te Rotem, hem daar als eerste van beticht heeft. Deze Sevrens had uit jaloersheid gehandeld omdat de zaken van  Mertens zo goed gingen.

Inmiddels staat Philip Mertens er niet meer alleen voor. Hij wordt bijgestaan door advocaat Joannes Hubertus Bouhoulle. Die zoekt zowel in Antwerpen als in Ophoven en omgeving getuigen om de goede reputatie van de gevangene te bevestigen. (Een aantal van deze verklaringen wordt niet aanvaard omdat de getuigen weigeren de eed af te leggen.)
Het inroepen van procedurefouten wordt door de openbare aanklager weggelachen.

Omdat Philip Mertens halsstarrig blijft ontkennen, vraagt de heer aanlegger om tot de scherpere examinatie te mogen overgaan.
Op 3 juli 1792 is het dan zover. Philippus Mertens wordt naar de tortuurkamer gebracht. Ook daar ontkent hij de feiten waarvan men hem beschuldigt, zelfs wanneer hij de scherprechter en zijn dienaars de folterinstrumenten ziet klaarleggen. Mertens wordt om kwart over 4 op het tortuurstoeltje en in de halsband gezet. Hij aanroept “den soeten naem Jesus, den naem van de Hylige Maghet Maria ende andere Heyligen”. Hij bekent echter niets. Om even over half 8 valt hij flauw. Hij wordt van de pijnbank afgelaten en op een matras gelegd. Een half uur later kan hij volgens de dokter, de chirurgijn en de apotheker die de tortuur bijwonen, weer gefolterd worden. Om kwart voor 11 bekent hij de moorden op de Mathournés en de diefstal van hun goederen.

Op 5 juli moet hij die verklaringen bevestigen, dan kan het vonnis uitgesproken worden. Mertens herroept echter zijn bekentenissen van 3 juli. Om even over half 4 wordt hij weer op het tortuurstoeltje en in de halsband gezet. Om kwart over 5 valt hij flauw. Hij ligt tot 10 over half 8 op een matras. Dan kan hij volgens de medische staf weer gefolterd worden. Om 9 uur bekent hij opnieuw.
Op 7 juli herroept hij nogmaals. Hij wil zich echter niet meer laten folteren en hij dist nu een heel ander verhaal op. Hij is op donderdagavond 30 september 1790 wel in het huis van de Mathournés geweest, maar hij heeft met de moorden niets te maken. Het echtpaar werd om het leven gebracht door enkele Hollanders. Zij riepen hem binnen toen hij die avond langs het huis van de Mathournés kwam. De Hollanders dwongen hem om een deel van het gestolen goed mee naar huis te nemen. Dat maakte hem medeplichtig. Hij heeft dit verhaal niet vroeger willen bekennen omdat hij vreesde dat die Hollanders zouden opgepakt worden en dat ze hem van medeplichtigheid aan de moorden zouden beschuldigen.
Op 9 augustus verschijnt Mertens weer in de folterkamer. Na tortuur bekent hij de roofmoorden en het schrijven en lichten van brandbrieven weer. Hij blijft halsstarrig ontkennen dat hij ooit een eed afgelegd heeft. Op 11 augustus herroept hij nogmaals.

Wanneer Mertens op 15 september weer ondervraagd wordt, blijft hij alles ontkennen. Hij heeft alleen bekend om van de pijn verlost te zijn. De verhoren van de volgende dagen leveren ook niets bijzonders op. Op 29 oktober wordt Mertens andermaal gefolterd. Hij bekent, maar toch vindt hij nog de kracht om te herroepen. Het gaat nu snel: op 31 oktober bekennen, op 2 november herroepen, weer gefolterd worden en bekennen, op 5 november hetzelfde scenario. Op 7 november blijft Philip Mertens bij wat hij op 5 november bekend heeft. In die laatste  bekentenissen had hij zijn aandeel weer geminimaliseerd. De onbekende Hollanders waren de moordenaars en de initiatiefnemers.
Door politieke onlusten ligt het proces lange tijd stil, maar dan gaat het plots heel snel. De gevangene heeft een rekwest om vrijgelaten te worden ingediend. Onderschout de Hornes, die Vereecken was komen vervangen, lacht dit weg … en hoe. Op 21 september 1793 wordt Philip Mertens ter dood veroordeeld. ’s Anderendaags wordt hij op de Antwerpse Grote Markt geradbraakt.
 

Het boek “Het proces Philippus Mertens, Een bokkenrijder berecht in Antwerpen” geschreven door Dirk Dobbeleers kost 24,5 euro (afhaalprijs) en kan bij de auteur besteld worden: dirk.dobbeleers@skynet.be of 03/216.32.04. Het kan ook per post verstuurd worden. (De portkosten bedragen 5 euro. Bij toezending via de post dus 29,50 euro te storten op rekeningnummer: 068-2438501-45, BVBA Dobbeleers, Jonghelinckstraat 19 B, 2018 Antwerpen. Vermeld naam en adres zodat het boek vlot kan afgeleverd worden.)
Afhalen kan ook (na afspraak) bij ondergetekende, Mathieu Kunnen, Middenstraat 8 te 3640 Molenbeersel-Kinrooi. Telefoon 089/70.29.65 of reserveren en afspreken via e-mail. In dit geval geldt de afhaalprijs van 24,50 euro.

Auteur : Mathieu Kunnen